Om 10 uur word ik verwacht. Klokslag 10 uur meld ik me dan ook bij de receptie. In mijn turbulente bestaan wederom een deadline gehaald. Veel tijd om op adem te komen heb ik niet; de directiesecretaresse komt me al tegemoet gelopen. Of ik haar wil volgen. Er wordt niets gezegd, ze kijkt me zelfs niet aan. Brengt me tot bij een deur, klopt en verzoekt me naar binnen te gaan.
Formeel geven we elkaar een afstandelijke hand.

Daar zit ik dan, op een te grote bank in een nog groter kantoor. Tegenover me zit de directeur van het bedrijf. Ik ben een beetje zenuwachtig voor wat komen gaat. Ergens diep in mezelf speelt dat kleine meisje dat zomaar bij een ‘echte meneer’ op de bank zit. En iedere keer weer als ik dat stemmetje in mezelf hoor, lach ik inwendig. Ook dat is een deel van wie ik ben. Terwijl ik een slok neem van mijn water herstel ik me en kijk mijn gesprekspartner eens goed aan, tussen mijn strak in de mascara zittende wimpers door.

Hij heeft een blauw pak aan met een wit krijtstreepje. Hij draagt een blauw geruite stropdas en strak lichtblauw overhemd, schoenen van Timberland, een Rolex. Het geurtje dat hij op heeft kan ik niet ruiken, daarvoor zitten we te ver van elkaar vandaan – hij in de ene hoek van de bank, ik in de andere. Ik in een zwart pak met een lichtgrijs krijtstreepje van Frank Walder, design sieraad van Calvin Klein, zwarte hoge hakken van Gabor, parfum van Kenzo. We zijn allebei goed voorbereid op deze ontmoeting.

Hij valt met de deur in huis, en begint met de vraag of ik zijn Management Team kan en wil trainen op het gebied van Spiritueel Leiderschap. Hij had daar een aantal artikelen over gelezen en vond dat nu precies iets wat men, zijn team, nodig heeft. Ik ben even stil. Zijn ene wenkbrauw gaat omhoog en er komt een frons in zijn voorhoofd. In mij begint het te kriebelen. Het gekriebel wordt sterker en sterker tot het zijn weg naar buiten vindt door mijn mond. Ik hoor mezelf zeggen: Zo… dus jij vindt dat jouw team dat nodig heeft? En waar sta je zelf in dit verhaal? Automatisch ben ik van u overgegaan op je. Opnieuw die frons, zijn schouders spannen zich, even houdt hij zijn adem in. Ik ook. Daarna is er een voorzichtige glimlach.

Een uur later zitten we nog steeds op die bank. Hij in de ene hoek, ik in de andere. Jasjes zijn uit, stropdas losgeknoopt, overhemd en blouse verfrommeld. Ik zit er stukken minder keurig bij, en er is intussen een hele koffiepot bijbesteld. We hadden er ook in spijkerbroek kunnen zitten, in badjas, in sportkleding, met haren recht overeind op ons hoofd, zonder make-up, met een goed glas wijn. Ik had hem ontmoet, hij mij. Twee mensen op een te grote bank in een groot kantoor.